00:00:00 / 00:00:00
Geschiedenis / Jury en juryvoorzitters
Jury en juryvoorzitters
De jury

De jury van de Koningin Elisabethwedstrijd is een legende op zich. Het is voor de priemende blik en het aangescherpt gehoor van deze, in absoluut stilzwijgen gehulde ‘killers’ - zoals Isaac Stern ze ooit schalks bestempelde - dat de laureaten hun plankenkoorts moeten overwinnen. Zij zijn de pennenhouders die een quotering opschrijven, geheim en onwrikbaar. Zij zijn de meesters die beslist hebben over het toekennen van de eerste prijs aan een veertigtal laureaten, van 1951 tot vandaag, een oordeel dat later al dan niet bevestigd werd.

Het prestige dat deze jury uitstraalt, is onmiskenbaar. Elke kenner van de vioolgeschiedenis kan niet anders dan in vervoering raken bij het lukraak doorbladeren van de lijst juryleden. Neem nu 1971: Avramov, Bobesco, Calvet, Francescatti, Gulli, Kogan, Kurtz, Menuhin, Neaman, Octors, Odnopossoff, Raskin, Stern, Szigeti, Uminska, Vegh. En zo zijn er nog tal van voorbeelden, maar we willen hier geen verdere opsommingen brengen; daar zorgt deze uitgebreide website voor. Eén zaak staat onomwonden vast: het beoordelingsvermogen van zo een jury is natuurlijk enorm. En dat maakt de vragen die de lijsten van prijswinnaars oproepen des te meer verrijkend. Het is uiteraard zeer verleidelijk om bij het beluisteren van de wedstrijdarchieven een verlate rechtszaak in te leiden tegen een historisch proces. Neen maar! Hoe is het mogelijk dat deze grote meesters in 1952 Entremont 10de en Hans Graf 11de plaatsten? Waarom werd Vasary in 1956 slechts 6de? Verdiende Zakhar Bron, leraar van Repin en Vengerov, die 12de plaats wel in 1971? Was het gegrond om Egorov in 1975 tot 3de uit te roepen, na twee landgenoten rond wie het vandaag wel erg stil is?

Léon Fleisher (piano 1952)
Sluiten
De jury heeft altijd haar redenen. Het aantal leden zelf en het feit dat er niet gedelibereerd wordt, zijn stevige garanties. En ze beoordeelt wat ze in de finale hoort, op de achtergrond van wat ze zich herinnert uit de eerste ronde en de halve finales (die overigens steeds duidelijker aan belang winnen). Uiteraard waren Emmanuel Ax, James Tocco, Cyprien Katsaris (in 1972 respectievelijk 7de, 8ste en 9de) reeds grote musici. Maar bepaalde facetten van hun optreden die bewuste avond - zij het nu op artistiek of technisch vlak - hebben zeer aandachtig luisterende juryleden als een Annie Fischer, Alexandre Braïlowsky, Leon Fleisher, Emil Gilels of Vlado Perlemuter minder kunnen bekoren. Dat is nu juist de kille wet van het Concours. Als het er nadien op aankomt een carrière uit te bouwen, worden de kaarten opnieuw geschud, met de hulp van Dame Fortuna. Zoete weerwraak? De voorbeelden zijn, gelukkig, legio.

Vermelden we nog dat de wedstrijddirectie, toegevend aan een begrijpelijke gretigheid, tijdens de sessies graag profijt haalt uit de aanwezigheid van enkele juryleden: tijdens de week waarin de finalisten in afzondering studeren, worden er bijvoorbeeld memorabele concerten gegeven; denken we maar aan die concertavond in 1959 met Oistrakh, Menuhin en Grumiaux o.l.v. Franz André; en al die anderen, zoals Gilels of Frager, die tot groot genoegen van hun bewonderaars meermaals het beste van zichzelf gaven.

De juryvoorzitters

Als primus inter pares speelt de juryvoorzitter een belangrijke rol. Hij slaat de brug tussen het hoog gezagscollege en het grote publiek. Hij dankt de koninklijke familie voor haar aanwezigheid, drukt zijn waardering uit voor de inzet van het orkest gedurende zes opeenvolgende avonden, en maakt op zaterdagnacht in een voelbaar elektrisch geladen concertzaal het eindresultaat bekend. Marcel Cuvelier, groot organisator, directeur van de Wedstrijd en ook voorzitter van de Filharmonische Vereniging van Brussel, neemt als eerste deze rol waar. Na zijn overlijden is het niet meer dan logisch dat Belgische topmusici zijn taak overnemen, te beginnen met twee directeurs van het Koninklijk Conservatorium van Brussel, Léon Jongen en Marcel Poot.

Arie Van Lysebeth met de 1ste laureaat 2010, Denis Kozhukhin
Sluiten
De wat oudere Léon Jongen - hij was 76 toen hij Cuvelier in 1960 opvolgde - blijft niet lang op post; Marcel Poot daarentegen wel. Tot 1980 vervult deze scherpzinnige, ietwat gedrongen maar elegante man vanachter zijn dikke brillenglazen uit de jaren dertig met gezag en kennis van zaken zijn taak, de eeuwige sigaret aan zijn lippen gekleefd, de gevreesde, soms ijzige humor nooit ver weg. De fakkel wordt overgenomen door Eugène Traey, een talentvol pianist, oud-leerling van Casadesus, Leimer en Gieseking, gereputeerd pedagoog, die vaak in duo optrad met Grumiaux. En sinds 1996 presideert Arie Van Lysebeth, voormalig directeur van het Conservatorium van Brussel (1994-2003), daarna artistiek directeur van de Muziekkapel Koningin Elisabeth (2004-2014), op zijn alom erkende elegante en competente manier.
Galerij
    3 beelden Diaporama
    Français - Nederlands - English
    In de website zoeken
    Newsletter
    Inloggen
    Audio & video Viool 2019
    Herbeluister of herbekijk de optredens van de kandidaten !
    De cd's van de Wedstrijd
    Online mediatheek
    Audio, video's en foto's van 1951 tot 2019